Het vrijeschoolonderwijs groeit enorm. De vereniging van vrijescholen ziet een forse toename, terwijl reguliere scholen in Nederland juist meer teruglopen in leerlingenaantallen. Sommige vrijescholen moeten zelfs kinderen weigeren omdat er geen plek meer voor ze is. Er zijn veel verschillen tussen de vrijeschool en het reguliere basisonderwijs. Dat is goed, het is belangrijk dat ouders een keuze hebben in de vorm van onderwijs voor hun kind. Toch lijkt de vraag naar vrijescholen het aanbod te overstijgen. Is het concept van een vrije school het onderwijsprogramma van de toekomst?
Vrije school
De eerste vrijescholen werden zonder staatssteun opgericht, vrij van overheidsbemoeienis. Inmiddels kan dit niet meer, ook vrijescholen moeten verantwoording afleggen aan inspectie. Toch is de naam gebleven, omdat het vrije nog terugkomt in het opleiden van de kinderen. De vrijeschool heeft namelijk als doel de kinderen op te leiden tot vrije mensen, mensen die kritisch zijn, zelfstandig en bewuste keuzes kunnen maken, voor zichzelf en voor de wereld. Dit gebeurt in een klassikale, vaak leerkracht-gestuurde leeromgeving. Het vrije onderwijs betekent dus niet dat mensen maar kunnen doen wat ze willen, en zelf hu lesprogramma's invullen.
Antroposofische werkwijze
Een vrije school werkt met de antroposofische werkwijze van Rudolf Steiner. De ontwikkeling van de gehele mens wordt gestimuleerd: het hoofd (denken) het hart (voelen) en de handen (maken). Persoonlijkheidsvorming, natuur, muziek, filosofie en creativiteit staan centraal. Tot een leerling 7 jaar is wordt de nadruk gelegd op spelend leren. Leerlingen van 7 tot 14 jaar leren met behulp van beelden en ervaringen. Lessen zijn klassikaal en de klas en leerkracht blijven deze periode bij elkaar. Het vak euritmie is een belangrijk onderdeel van de vrije school. Euritmie combineert woord met beweging, klank en ritme. Vanaf 14 jaar is er meer ruimte voor filosofie. De rol van een juf of meester verschuift van expert, naar adviseur, naar begeleider.
‘Vrije’ slaat op ‘vrijheid van inrichting’. Die hebben de Nederlandse scholen niet – geen enkele school is in dit opzicht vrij: de vrijescholen al helemaal niet. Het ‘vrije’ slaat ook nu niet op wat hier beweerd wordt: het is eerder het gevolg dan een doel van het vrijeschoolonderwijs. De vakken die worden genoemd staan niet ‘centraal’. Het kind in zijn ontwikkeling staat centraal en de vakken – alle vakken – worden gegeven om deze ontwikkeling te ondersteunen: ook rekenen en taal.